Op mijn vijfde levensjaar ben ik samen met mijn ouders en zusje gevlucht vanuit Afghanistan. Mijn vader was journalist en zijn leven was in gevaar door de taliban. Wij moesten er zo snel mogelijk weg. Alles achtergelaten en met bijna geen geld op zak zijn wij aangekomen in Nederland. Na een korte tijd in een AZC is ons een huis toegewezen in Middelbeers. Hier ben ik opgegroeid tussen Nederlandse koeien, graskaas, aardappels en kroketten. Mijn vader begon hier te werken als kok in verschillende restaurants. Omdat hij ons wegens de werktijden bijna niet zag, verruilde hij zijn Franse koksschort voor een baan als kok in het ziekenhuis.

 

Ondanks alle Nederlandse inbreng en mijn zachte G ben ik mijn roots nooit vergeten. Nog steeds ruikt het bij ons thuis vaak naar kurkuma en gember. Mijn ouders staan vaak uren in de keuken om Afghaanse gerechten klaar te maken. Wanneer wij thuiskomen van school en werk staat mijn moeder boven het fornuis chabli kababs te bakken. ‘Snel, eet je chabli kabab want hij wordt koud’ roept zij dan. Na een lange dag is dit dan echt het liefste wat ik eet. Graag willen mijn familie en ik dit gevoel en deze smaken delen.